GELOOF en LEVEN



  
HOME

INHOUD

GELOOF EN LEVEN  Jaargang 106 nr 2 (april - mei - juni  2002)

TERUG NAAR INHOUD


Een spirituele tocht  (5de etappe) De scherpte van de nevel door  Lieven Dewaer
De eerste missievlucht naar Kongo (11)  door: Jozef Boon CssR  De Sirocco…
Als Maria u bij de hand neemt  door Dominiek en Francine Lodewijckx, Maria-Kefasgemeenschap
Respect voor ‘vreemde’ volkeren  citaat
Katechismus vd Katholieke Kerk (20) Gekruisigd … resumé  : Ben Van Vossel cssr
Voor het Catecheseteam door Ingrid
Reclusen  Ben Van Vossel cssr
Het huis van Maria te Efese? (Vervolg en slot)
Decaloog (5) 1 Bovenal bemin één God  Ben Van Vossel cssr
De vliegende icoon Chris Dessin, lid van het leidersteam van de Maria-Kefasgemeenschap
Allochtone moeders maken zich problemen
Qumran (4) Ben Van Vossel cssr
Roeping tot ongehuwde aan de Heer toegewijd Magda De Wilde, Maria-Kefasgemeenschap
Boekennieuws  CHOWNING, Daniel -,  Wie zal mij genezen?  Jan van het Kruis antwoord…  Carmelitana 2001, DEMASEURE, - Karlijn & DEPOORTERE,  Kristiaan -, e.a. Meestappen.  Pastoraal begeleiden in moeilijke levenssituaties.  Halewijn 2001. THEVELEIN, Ignace -, Officium.  Gezongen getijdengebed.  Lannoo 2002


   TERUG NAAR INHOUD

 


 ALS MARIA U BIJ DE HAND NEEMT (Getuigenis)

door: Dominiek en Francine Lodewijckx, Maria-Kefasgemeenschap

Toen Dominiek en ik op 31 mei, feest van het “Bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth”, in het huwelijk traden, waren we ons van de betekenis van die datum eigenlijk niet zo bewust.  Nochtans had O.L.Vrouw zich reeds over ons ontfermd in onze verlovingstijd, door middel van de Wonderdadige Medaille.

We waren op reis met mijn ouders, en na de gebruikelijke koffiestop, viel op zeker moment mijn blik op de lege plaats waar mijn handtas zich moest bevinden.  Onmiddellijk viel het mij in dat ik ze had achtergelaten bij de toiletten van die ochtendlijke stop, een à anderhalf uur geleden.  Onze beide portefeuilles en papieren, vreemd geld enz…  Groot alarm natuurlijk tot Dominiek me geruststelde : “Er steekt ’n medailleke van O..Vrouw van de Wonderbare Medaille in mijn portefeuille”.  En wat bleek?  Na ongeveer 300 km. terug vonden we aan de bewuste koffiestop de handtas intact weer met portefeuilles, geld enz…  U kan zich onze dankbaarheid wel inbeelden.
Maar eigenlijk stonden we daar niet zo lang bij stil…

Toen we enkele maanden getrouwd waren, kwamen we op een zaterdagnamiddag langs een kerkje waar we even halt hielden voor een gebed.  We troffen daar een uitnodiging aan voor een bedevaartsreis naar de kapel van de Wonderbare medaille te Parijs.  “Daar gaat mijn moeder soms heen”, vertrouwde Dominiek mij toe.  Resultaat: we schreven ons ook in, en zonder dat we het goed beseften veranderde dat ons leven. De ervaring in de kapel van de “Wonderbare Medaille” in de Rue du Bac werd een stukje van de hemel.

We stelden van dan af het gebed meer en meer centraal in ons leven, we vertrouwden ons huwelijk, onze kinderwens en mijn werksituatie echt toe aan wat de hemel mogelijk achtte.

Na 4 jaar huwelijk werd onze Bart geboren: onze kinderwens was eindelijk in vervulling gegaan.  We hadden een kind gevraagd wanneer we er zelf konden voor zorgen, wat voor mij concreet betekende dat ik een overplaatsing naar het bureau in Kortrijk moest krijgen.  Wat gebeurde er?  Er kwam een schrijven van ons Ministerie en de dag waarop ik het werk moest hervatten, 1 april (geen grap), werd ik overgeplaatst naar Kortrijk!  Dank U, O.L.Vrouw.
Toen onze Bart echter 6 dagen oud was, bleek zijn spijsvertering niet in orde.  Na een week observatie in de kinderafdeling werd besloten hem over te brengen naar het U.Z. Gasthuisberg te Leuven.  Als ouders voelden we ons machteloos, onzeker, maar we wilden opnieuw alles aan Hierboven toevertrouwen en het onder de zorg van Maria plaatsen.
Ondertussen werden we in ijltempo en met loeiende sirenes met Bart naar Leuven gebracht.  Bij aankomst werd Bart, intussen 2 weken oud, vanuit een reiscouveuse in een couveuse van het ziekenhuis geplaatst.  Op het moment dat dit gebeurde viel de halsketting van de dienstdoende verpleegster - een halssnoer waaraan een Wonderbare Medaille hing - op de couveuse.  Voor ons betekende dit een enorme opluchting, een teken dat de Hemel ons niet in de steek liet.  Bart werd geopereerd en mocht al na 10 dagen het ziekenhuis verlaten, gezond en wel.  Dank U, Maria!

Als dank proberen we voor heel veel mensen in deze tijd, een stukje van de hemel naderbij te brengen.  Het is nu het 18de jaar dat we regelmatig bedevaarten organiseren naar die mooie kapel in de Rue du Bac te Parijs.
Nog een kleine anekdote die ons wel plezier doet: onze huidige paus Johannes-Paulus II bracht een bezoek aan die kapel op onze trouwdag, 31 mei 1980.


EINDE ARTIKEL

    TERUG NAAR INHOUD      NAAR TOP VAN DIT NUMMER        


VOOR HET CATECHESE-TEAM  

Ingrid

We hebben veel respect voor de gehuwden, ongehuwden en jongeren die zich inzetten voor de parochiale catechese en die vaak een hele namiddag een catechesegroepje onthalen.  Het is een boeiend werk als men er zich met ijver op toelegt, maar het kan tegelijk ook heel wat frustraties in zich dragen: weinig steun vanwege sommige ouders, weinig motivatie aan de kant van de vormelingen en dan vooral het afhaken van die tieners onmiddellijk na de vernieuwing van hun doopbeloften.  Frustrerend.  Ontmoedigend.  Toch blijft het een boeiend en waardevol werk.  De voornaamste steun is jouw persoonlijke relatie tot de Heer Jezus en je bewustzijn dat Hij het is die jou deze taak toevertrouwt.  Het getuigenis hieronder wil dan allerminst ontmoedigen, maar het was ook voor ons een bezinning over onze diepste motivatie en de manier waarop wij kinderen en tieners willen binnenleiden in het geloof en de geloofsbeleving (nvdr).

Toen ik mijn plechtige communie deed, wist ik hoe hoog de kerktoren was, had ik iets gehoord over gastvrijheid, over open ramen en deuren en een lange tafel, waar plaats moest zijn voor iedereen… en dat was goed.  Maar ze hadden me niet geleerd om met Jezus te spreken, de grote Gast en Gastheer die ik ging ontmoeten en evenmin over de Heilige Geest die in Mij woont en die mij wou leiden en bezielen en mij wou vormen naar Jezus’ beeld en mij wou maken tot getuige van Jezus.  Spijtig dat ik dat toen niet mocht weten…  Wisten mijn catechisten het zelf?  Beleefden zij het?  Waarom vertelden zij het dan niet aan mij?  Zij niet ... en de parochiepriester niet?



EINDE ARTIKEL

    TERUG NAAR INHOUD      NAAR TOP VAN DIT NUMMER        

 

RECLUSEN  

door Ben Van Vossel cssr

Anachoreten  
Reclusen of inclusen (= ingeslotenen, gekluisden, kluizenaars of kluizenaressen) waren mannen of vrouwen die zich situeerden in het verlengde van de anachoreten.  Deze Anachoreten (anachorèsis betekent letterlijk ‘terugtrekking in de woestijn’) waren heel vurige christenen die zich, voornamelijk in de eerste eeuwen van het christendom, in de eenzaamheid terugtrokken, meestal in een woestijn (woestijn betekent in het grieks: ‘eremos’, vandaar ook de benaming ‘(h)eremieten’).  Daar leidden ze in afzondering (dit in tegenstelling tot de Cenobieten die in gemeenschap leefden) een leven van gebed, boete en handenarbeid.  Hun diepste betrachting was: zich enkel nog met God bezig te houden en te bidden voor de mensen.  In de 3de eeuw bestond dit soort van leven reeds in het Oosten, in de Egyptische woestijn, vooral als reactie op de afzwakking van het christelijk geloofsleven na de vervolgingen, eens dat de kerk staatsgodsdienst was geworden. Het kluizenaarsleven was dan later naar het Westen gekomen waar het voornamelijk in de 12de en 13de eeuw zijn hoogtepunt kende.  In de 15de eeuw verloor het aan betekenis en het verdween in die vorm (van reclusen) geleidelijk aan.  Het kluizenaarsleven bleef evenwel bestaan in de kerk, al of niet georganiseerd.

Georganiseerde kluizenaars

Een eerste aanzet om het kluizenaarsleven in het Westen in te voeren werd ondernomen door de H. Romuald die rond 1012 de ‘Orde van de Camaldulensen’ (ook wel ‘Witte Benedictijnen’ genoemd) stichtte in Zuid-Italië, te Camaldoli in de dichtbeboste bergen (Apenijnen) ten Noorden van Arezzo.  De meest bekende vorm van georganiseerd kluizenaarsleven vinden we echter terug in de zogenaamd strengste vorm van kloosterleven in de katholieke kerk, de ‘Orde van de Kartuizers’ die door de H. Bruno van Keulen werd gesticht in 1084 in de Dauphiné; die eerste stichting noemde men later ‘La grande Chartreuse’.  De Franse revolutie stelde een einde aan de Grande Chartreuse en pas in 1816 zijn de Kartuizers er teruggekeerd; in 1903 werden ze opnieuw verdreven tot ze er in 1940 weer bezit van konden nemen.  Onze pater-vliegenier Bradfer zou ooit zowel de Kartuizers als de Camaldulenzer monniken leren kennen, zoals we later nog zullen verhalen.  De Kartuizers waren in heel het Westen verspreid met zo’n 197 kloosters tot de 14de eeuw; ook in Gent (in ‘Joannes De Deo’ van de broeders Hiëronymieten aan het Fratersplein bevindt zich nog de Kartuizerskerk, waar Lieven Bouwens ooit nog zijn weefgetouw in onderbracht), Brugge, Antwerpen, Zeelem, Geraardsbergen, Luik en Doornik waren er Kartuizers en in Brugge zelfs Kartuizerinnen.  De Reformatie, de keizer-koster Jozef II en de Franse revolutie hebben aan de meeste van die karthuizen een einde gesteld.  Voor wie het interesseert: In de Grande Chartreuse geraak je normaal niet binnen, maar in de omtrek is er een permanente tentoonstelling over hun leven in een gebouw dat aanvankelijk bestemd was voor de lekenbroeders maar later allerlei functies heeft gekend (Correrie de la Grande Chartreuse, Saint-Pierre de Chartreuse / Isère, 3,5 km. ten zuiden van de Grande Chartreuse); je vindt er als parool: ‘De Kartuizer kiest de stilte en de eenzaamheid om zich enkel aan God te wijden en om aan zijn gebed een universele draagwijdte te geven’.

Niet-georganiseerden  
Niet georganiseerde kluizenaars vind je zo links en rechts.  Soms zijn dat religieuzen die een strengere vorm van religieus leven nastreven, meestal zijn het leken, sommigen die op volwassen leeftijd zich volledig aan God willen toewijden in volkomen eenzaamheid, soms zijn het mensen die een heel leven achter de rug hebben en inzien dat alleen God het mensenhart kan vervullen; sommigen voelen zich geroepen tot een leven van boetvaardigheid voor eigen zonden en voor de zonden van de wereld.  Ooit ontmoette ik zo’n kluizenaar, een gewezen matroos die zijn laatste jaren sleet op het domein van een retraitehuis (in Schilde, meen ik), afgezonderd in een hut in de tuin en zeer armoedig, maar toch werd hij geraadpleegd door een aantal van de retraitanten voor onderscheiding of intercessie.  Hij had o.m. de gewoonte om ’s nachts te bidden om heil en zegen voor de mensen uit de vier windstreken.  Zelfs voor een kluizenaar is het aan te raden om een goede geestelijke leidsman hebben om zowel psychisch als geestelijk evenwichtig te blijven en vruchtbaar voor de Kerk.

Ingemuurd

Reclusen of inclusen waren mannen of vrouwen die zich voor een bepaalde tijd of voor de rest van hun leven opsloten in een cel (kluis) of zich zelfs lieten inmetselen.  Terwijl de meeste kluizenaars of anachoreten aanvankelijk kluizen of grotten bewoonden in verlaten streken, waren er later die zo’n soort afgezonderd leven ook in de omgeving van een bevolkingscentrum gingen leiden.  Zowat de strengste vorm van zo’n kluizenaarsbestaan was in de Middeleeuwen inderdaad de ‘inmuring’; vandaar ook het woord ‘inclusen’ of ‘reclusen’, gekluisden.  Tijdens een kerkelijke plechtigheid liet de kluizena(a)r(es) zich in een kluis (gewoonlijk aan een klooster of kerk aangebouwd) insluiten.  De bisschop verzegelde de deur en bewaarde er de sleutel van; soms werd de kluizenaar ook werkelijk ingemetseld.  Een kleine opening werd vrijgelaten voor het noodzakelijk verkeer met de buitenwereld’.  Zeer bekend is de Engelse recluse (volgens de regel van Benedictus), Juliana van Norwich (1342-na1413), wier cel aangebouwd was tegen de nu Anglicaanse Saint Julian-kerk. Een ander bekend voorbeeld van deze zogenaamde inclusen of reclusen is de Utrechtse vrome dichteres zuster Bertken  Jacobsdochter, die “57 jaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in dye buerkercke”.  Op 30-jarige leeftijd, in 1457 had ze zich laten inmuren in die kerk.  Zij schreef mooie liederen en bezinningen (die aan Hadewych doen denken) vooral over het lijden van de Heer Jezus.  In sommige oude kerken - vooral in steden - bestaat nog zo’n ruimte die enerzijds uitgaf op de straat (mensen konden vragen om het gebed van de recluse of soms ook geestelijke raad ontvangen) en anderzijds zicht bood op het altaar (om de H.Mis te kunnen volgen en de communie te kunnen ontvangen).

De In ‘The Ancren Riwle’ - ‘de regel van de Anachoreten’ (kluizenaars, reclusen of gekluisden) -  richt een onbekende schrijver zich tot 3 zusters ‘naar de geest en naar het vlees’, die in naast elkaar gelegen kluizen woonden.  Het traktaat is in het engels geschreven, waarschijnlijk tussen 1190 en 1230.  Als ze jullie vragen tot welke orde je behoort, zo schrijft hij wat spottend, zeg dan maar dat je van de orde van de apostel Jacobus bent, want die heeft geschreven: “zuivere en smetteloze godsdienst (religie) is: weduwen en wezen opzoeken en bijstaan, en zichzelf rein en vrij bewaren van de besmetting der wereld”.  Als uitleg bij dit vers noteert hij: “Een ziel die haar Bruidegom, Jezus Christus, verloren heeft door een doodzonde is zo’n weduwe.  En evenzo is een wees, al wie door zijn zonde zijn Vader in de hemel verloren heeft.  Zulke mensen gaan opzoeken, ze sterken en te hulp komen met het voedsel van de gewijde leer, is volgens Sint Jacobus ware religie.  Het laatste deel van zijn uitspraak heeft betrekking op kluizenaars, op uw Orde, op u die u zelf meer dan andere religieuzen ‘rein en onbesmet van het aardse bewaart’”.

Het klokje rond met de Heer

“Als je je aangekleed hebt, besprenkel je dan met wijwater dat je steeds in huis moet hebben.  Richt dan je gedachten op het Lichaam en Bloed van de Heer boven het  hoogaltaar, keer je erheen en val op de knieën. Doe dat ook wanneer de priester Het opheft en vóór de schuldbelijdenis (’Heer, ik ben niet waardig...’) wanneer je de H. Hostie gaat ontvangen”.

Na de aanbidding van het Allerheiligste volgden begroeting en geknield bidden voor het kruisbeeld en het beeld van de Maagd Maria en andere heiligenbeelden die zich - soms ook met relieken - op het huisaltaartje bevonden.  Op bepaalde momenten bad men dan de Getijden der H. Maagd (soort brevier in de landstaal), de Litanie van Alle Heiligen, het Dodenofficie en andere gebeden.  Vooral echter was er de aanbidding van het heilige Sacrament waarin ze de kracht en genade vond voor haar leven van gebed en boete.  “Geloof maar vast dat alle macht van de duivel wegsmelt voor de genade van het Allerheiligste Sacrament” dat ge boven alles verheven ziet zo vaak de priester zijn Mis opdraagt en er het Kindeke der Maagd, Jezus de Zoon van God, consacreert, die soms ook afstapt in het gasthuis van uw ziel, om nederig zijn verblijf bij u te nemen.  God weet het: al te zwak en al te lafhartig is degene, die met de hulp van zulk een gast niet dapper strijdt”.

Voor de rest hadden ze de Biecht, wijwater, gebeden en heilige overwegingen, zegeningen, kniebuigingen en alle goed woord en werk “om uw kleinere zonden weg te wassen…  Maar tegen de Biecht leggen in elk geval al de andere middelen het af…  Biechten moet ge dus maar dikwijls.”

‘s Middags overwogen ze de drie lange uren dat Jezus aan het kruis hing.  Zoals gezegd hadden ze enig contact langs het getraliede buitenvenster waarlangs troost en bezieling trachten door te geven aan mensen die hen wilden spreken of om hun gebed verzoeken.  Ze moesten zich wel hoeden voor nieuwsgierigheid en kletsen, ook mochten ze geen (bij-)les geven aan kinderen.

Op het einde van de dag knielde de recluse voor een gewetensonderzoek, of ze wel goed had gehandeld en ze dankte Hem die alle genade geeft daartoe, ze vroeg dan ook barmhartigheid en vergeving voor haar zonden en voelde ze zich echt schuldig, dan geselde ze zich.  Het avondgebed eindigde met een kruisteken over de cel, over zichzelf en het bed.

’s Nachts deed ze de Metten, het nachtofficie aan het kerkvenster, staand of gezeten, met buigingen en kniebuigingen.  De flikkerende godslamp, de nabije intimiteit met de Eucharistische Christus vooral, sloeg vaak de vonk in het naar God hunkerend hart van de kluizenares.  En die liefde wilde ze ook uitstorten in de harten van vele anderen: “Joden, Saracenen, ketters, heidenen en zondaars kwamen haar voor de geest, en ze werd Hart van de Kerk, Hart dat het levensbloed toevoerde aan het wereldapostolaat”.

We geven hier twee teksten uit ‘De regel van de Anachoreten’ (The Ancren Riwle):

Ankers voor de Kerk

“In psalm 102,7 lezen we ‘Ik lijk een vogel in de woestijn, een nachtvogel in een bouwval’.  Een nachtvogel onder het dak is een beeld van de reclusen die wonen onder één dak met de kerk, opdat ze zouden begrijpen dat ze zo’n heilig leven behoren te leiden, zodat de hele heilige Kerk, d.i. heel het Christenvolk, op ze leunen en steunen kan, en geschraagd worden door hun heilige levenswandel en vrome gebeden.  Daarom ook noemt men ze anachoreten en zijn ze onder de kerk “geankerd” als ankers onder een schip, die het moeten vasthouden een verhinderen dat golven en stormen het overmeesteren (…).

Opgesloten zoals Jezus

“Was de Heer Jezus zelf niet, net als jullie opgesloten, namelijk in de schoot van de Maagd?  Beklemming en bitterheid maken het kruis van een kluizenares uit.  Welnu, de moederschoot die Onze Heer omkluisterd hield, was een eng, beklemmend verblijf. En de naam ‘Maria’ betekent bitterheid, zoals ik al meer zei.  Als ge dus bitter moet lijden in een enge ruimte, dan zijt ge net als Jezus, toen Hij ‘omsloten’ was in Maria’s schoot.  Tussen uw vier dikke muren zijt ge ook nog als Jezus in zijn nauwe krib, of zoals toen Hij vastgekluisterd was aan het Kruis, of gelijk Hij dicht-omsloten lag in het stenen graf.  Maria’s schoot en het graf waren zijn kluis, en in geen van tweeën was Hij een man van de wereld, doch als het ware buiten de wereld, om kluizenaressen te leren dat ze met de wereld niets gemeen moeten hebben.  “Jawel,” hoor ik u antwoorden, “maar Onze Heer is uit allebei uitgebroken!”  Nou dan, komen jullie ook maar uit jullie twee kluizen!  Maar dan juist zoals Hij, zonder iets te breken, en erop lettend dat je de gaafheid van geen van beide schendt!  Dat zal inderdaad eenmaal geschieden, wanneer de ziel ontsnapt uit haar dubbel verlijf, zonder vlek of smet.  Het eerste verblijf is het lichaam.  Het tweede is het stoffelijke huis, dat is als de buitenwal om een kasteel”.

Kluizenaarsleven voor velen?

Naar aanleiding van ‘The Ancren Riwle’ vraagt Benoit du Moustier zich af of dit soort leven nog iets voor mensen van vandaag is.  Hij vindt van wel, maar heeft het dan over een “kluizenaarsgeest midden in de wereld, in de maatschappelijke omstandigheden die de Voorzienigheid voor de betrokkene beschikt heeft”.   Zo denkt hij aan bejaarden, veel zieken en gehandicapten, priesters op stille, landelijke parochies, verlaten en vereenzaamde christenen, zij die veelal op hun eentje arbeiden op kantoor of atelier, kortom allen die lange uren van de dag alleen zijn en bij wie de materiële dagelijkse plichten hoofd en hart niet al te zeer in beslag nemen.  Zijn er geen christenen meer die geroepen zijn om - midden deze wereld - Christus na te volgen in zijn besloten zijn in de schoot van de Moedermaagd, in de begrensdheid van het huisje van Nazaret en die tot het einde der tijden aanwezig wil blijven in de omhullende ‘kluismysteries’ van Hostie en tabernakel?  Benoit du Moustier somt op wat zo’n leven ‘ondermeer’ zou kunnen bevatten:

- zich behoeden voor de smetten van de wereld
- zich in overleg met zijn biechtvader een aantal uiterlijke verstervingen opleggen, die rekening houden met ieders krachten en levensomstandigheden
- zijn dagen heiligen door lezing en gebed, katholiek gebed voor allen die in nood zijn
- tong, ogen en oren bewaken om zo weinig mogelijk de innerlijke ingetogenheid te onderbreken
- zich tot eer en in navolging van Jezus’ eenzaamheid zoveel mogelijk afzonderen van de wereld
- en zo de Kerk te schragen door enigszins te delen in de geest en de praktijken van de gekluisden van vroeger.

“Vermoedelijk zijn ook vandaag velen geroepen tot Godverheerlijking, zelfheiliging en verborgen apostolaat waartoe de afzondering uitnemende kansen biedt.  Lezing, gebed, Eucharistische aanbidding, ja, ook vooral aanbidding en dankzegging, bewonderend en prijzend inwendig gebed.  Wat een verheven roeping voor wie daartoe genodigd worden door de liefhebbende God!” (Benoît du Moustier)



EINDE ARTIKEL

    TERUG NAAR INHOUD      NAAR TOP VAN DIT NUMMER        


DE VLIEGENDE ICOON

Chris Dessin, lid van het leidersteam
van de Maria-Kefasgemeenschap

Ingenieur Chris Dessin surfte op zijn huiscomputer naar de website van het Internationaal RuimteStation (ISS) dat sedert enige tijd rond onze planeet zweeft.  Hij was blij verrast toen hij in het russische compartiment van de derde bemanning op de ereplaats een icoon van Onze-Lieve-Vrouw opmerkte (Info januari 2002).  

Voor de internetsurfers geef ik hier de coördinaten van 2 foto’s die genomen werden in het russisch gedeelte (Zvezda Service Module) van het ISS ruimtestation (eerste expeditie, derde bemanning).  In ‘hoge resolutie’ (het duurt dan wel even om ze te downloaden) zijn de iconen in het ruimtestation duidelijk te zien en te herkennen.

1ste bemanning: (http://spaceflight.nasa.gov/gallery/images/station/crew-1/html/iss01e5141.html)

3de bemanning: (http://spaceflight.nasa.gov/gallery/images/station/crew-3/html/iss003e5394.html)

De eerste icoon werd door de eerste bemanning (crew) meegebracht en het lijkt een Christus icoon, of een Russische heilige. De tweede crew heeft de Maria-icoon aangebracht, en de derde bemanning heeft die behouden. De icoon hangt op een voorname plaats, ze komt regelmatig in beeld bij groepsfoto’s.

Het feit op zich staat in schril contrast met het optreden van de eerste Russische kosmonauten toen die in de jaren zestig de ruimte ingingen. Ze maakten er een grapje over: “Het heelal is donker.  Ik zie geen God” (Yoeri Gagarin).   Dat ze God niet ontmoet hadden in de ‘hemel’, was voor hen meteen een bewijs dat God niet bestond. Het was toen nog volop de tijd van het sovjet staatsatheïsme.

Dat Russische kosmonauten in 2002 een icoon hangen op een mooie plaats in hun ruimtestation, is toch een sterk getuigenis. Zij drukken daarmee uit dat ze hun ruimtevlucht, hun werk en verblijf (drie maand) toevertrouwen aan de Heer Jezus en aan de Moeder Gods, Maria. De vlucht met de Shuttle en de terugkeer als een gloeiende vuurbal blijven immers steeds een risico.  Maar het feit dat deze iconen daar werden aangebracht getuigt ook dat het geloof niet iets is voor ‘wereldvreemde’ mensen (al is deze woordkeuze hier misschien wat raar).  We moeten immers bedenken dat deze kosmonauten allen ofwel ingenieurs zijn, ofwel gewezen gevechtspiloten, ofwel wetenschappers van het hoogste niveau.  Laat ons maar zeggen dat het letterlijk een geloofsgetuigenis van de bovenste plank is.

Een paar gegevens omtrent het ISS:  ISS is de afkorting van “International Space Station”.  Ook België levert een financiële, materiële en wetenschappelijke bijdrage, en volgend jaar gaat er ook een Belg naartoe  (Frank De Winne).  Het ISS weegt op dit ogenblik 90 Ton en er wordt constant bijgeassembleerd (om plaats te maken voor wie het hier zo niet meer ziet zitten?).  Het vliegt wel op een hoogte van 400 km., aan 27.600 km/h of 7,7 km/sec. Dat betekent dat het in anderhalf uur een toertje maakt om de aarde. Het station vliegt regelmatig boven ons hoofd hier in België.  Even uitkijken dus of je met je sterrenkijker ook de vliegende Maria-icoon kunt ontwaren.



EINDE ARTIKEL

    TERUG NAAR INHOUD      NAAR TOP VAN DIT NUMMER        

ROEPING TOT ONGEHUWDE AAN DE HEER TOEGEWIJD

door: Magda De Wilde, Maria-Kefasgemeenschap

1 Het begin

Ik denk dat het begin voor een roeping normaal het geloof is. Het is van belang ons christelijk geloof te leren kennen en ermee op weg te gaan.  Geloven en weten dat er een God is die mij kent en draagt en Die met Zijn Liefde mijn menselijke levensweg meegaat.

Ik weet dat God ieder mens tot leven roept. Zo heeft Hij ook mij geroepen, mij gekend, mij gewild, van in de moederschoot.
Voor mij was het tot een bewust christelijk geloof komen van groot belang, ook om zo geleidelijk aan een bewuste relatie met God, onze Vader, en Jezus, de Levende Heer, op te bouwen. Ik heb mijn christelijk geloof leren kennen door mijn ouders, opvoeders in de scholen...

En heel belangrijk, God werkt ook zelf natuurlijk: de H.Geest is werkzaam in elk mens met zijn genade. Zelfs een kind kan deze subtiele aantrekkingskracht van Gods Geest onderscheiden. Als ik eraan terug denk, dan ervaarde ik reeds als kind God soms heel spontaan in zijn schepping, in het buiten spelen met vriendinnetjes, in de schoonheid van kerkelijke gezangen, de liturgie. En dit is diep leven mogen en kunnen ervaren.

2 Het zoeken

Met het opgroeien en volwassen worden, werd ook ik door vele polen aangetrokken.  Een mens moet keuzes maken en inderdaad volwassen worden. Ieder leven is telkens weer uniek, de omstandigheden zijn uniek, de ervaringen, de ontmoetingen zijn uniek.  Wat misschien niet zo uniek is zijn de zinvragen die naar boven komen, en de fundamentele eenzaamheid, die ieder mens, juist doordat hij uniek is wel eens ervaart.
Mijn menselijke levensweg is dus uniek.  En als ik Hem toelaat, die God van Jezus Christus - die we in Jezus menselijk mogen ontmoeten - als ik Hem toelaat mij te vergezellen dan heb ik gevonden en zal ik Hem steeds weer zoeken.

3 Het verlangen.

Als jongvolwassene, kwam ik wel eens  in contact met de mooie liturgie en het leven in nieuwe, jonge kloostergemeenschappen.
Ik heb ervan gedroomd erbij te horen. Maar ik wist dat dit niet mijn roeping was.  Juist doordat de omstandigheden tegen zaten. En toch wist ik ook diep in mijn hart dat God mij riep, om Hem van dichterbij te volgen.

4 De werkelijkheid.

Ik mocht ervaren hoe God ook mij leidt juist doorheen de unieke omstandigheden van mijn leven.  Een bewijs eigenlijk dat Hij heel persoonlijk met mij (zoals met ieder mens) op weg is. Wat ik wel deed was Hem om hulp vragen, bij Hem gaan zitten, bidden dus, op een heel persoonlijke manier; vanuit mijn leven sprak ik met Hem.

5 De toewijding.

Ik leerde dan de katholieke ‘Maria-Kefas’-gemeenschap kennen. Deze nieuwe gemeenschap, brengt zowel religieuzen, als  gehuwde en  ongehuwde leken samen om op meer radicale manier de Heer te volgen. Wij zijn geen residentiële  gemeenschap, maar komen regelmatig samen voor aanbidding, liturgische vieringen, evangelisatieactiviteiten, en voor gezamenlijke vorming. (Er bestaat een goede folder die alles zegt over onze gemeenschap)
Hier vond ik een voor mij aangepaste weg om de Heer van dichterbij te volgen. Ik kon thuis blijven en mee de zorg voor mijn bejaarde ouders verder op mij nemen. En tegelijkertijd mocht ik binnen de gemeenschap ‘Maria-Kefas’ mijn toewijding, als ongehuwde aan de Heer’ uitspreken.

Dat uitspreken, voor het uitgestelde Heilig Sacrament, voor de priester van de gemeenschap, en voor de medegelovigen, was wel een heel belangrijk, sterk en plechtig moment voor mij. Het is de private gelofte van celibaat omwille van het Rijk Gods.  Het was de bevestiging van mijn roeping. En alhoewel die er naar buiten toe niet zo radicaal uitziet als van een kloosterzuster, toch wil ik mijn trouw aan God op eenzelfde radicale wijze beleven, in de wereld dan. Natuurlijk, alles met zijn hulp en genade.

6 Ongehuwd, maar niet alleen of eenzaam.

Die hulp en genade geeft Hij mij elke dag opnieuw.  Soms sta ik er ’s avonds over  versteld wat God mij allemaal weer gaf, of liet doen,  de kracht die Hij gaf in zwakheid. In de Eucharistieviering in de loop van de week, ’s avonds wanneer we slechts  met een tiental mensen in de kerk zijn, kan ik Hem daar echt dankbaar voor zijn.
Het is zeker zo dat je als ongehuwde, niet die sterke band met één mens hebt. Het is van groot belang die band met God te vinden. En als je daar weet van hebt, die krachtbron hebt gevonden, zal je weten waar je telkens moet putten.
En waar ik  natuurlijk ook kracht mag uit putten is het contact met de zussen en broers van de gemeenschap.  Ik heb niet die intieme  band met één mens. Eens hoorde ik iemand aan ongehuwden, alleengaanden, vrijgezellen, de volgende benaming geven: ‘vrije gezellen’. Wij kunnen gezellen zijn,  vriend van vele mensen.  Het is nodig om goede, verrijkende, vriendschappelijke menselijke contacten te hebben.  Daarom is het voor mij ook van heel groot belang om tot de  ‘Maria-Kefas ‘ gemeenschap te behoren.  Samen met andere christenen, ook met andere ongehuwden, een stukje van mijn leven delen. Ondertussen kunnen we veel leren van onze gehuwde zussen en broers, die samen met hun gezin,  zich ook inzetten voor het Rijk Gods. De Maria-Kefasgemeenschap geeft eigenlijk een trouw beeld weer van de samenleving waarvan we deel uitmaken. Op het werk zijn we immers ook samen met mannen, vrouwen, gehuwden, ongehuwden. Zo staat de gemeenschap’ Maria-Kefas’ niet ver van de wereld,  maar volop erin.

7 Als ongehuwde aan de Heer toegewijd in de wereld.

Vanuit de gemeenschap voel ik mij ook gedragen en gezonden. De gezamenlijke gebedsmomenten, liturgievieringen, samenkomsten, geven mij kracht om verder ook persoonlijk de weg met God te gaan.  Ook om mijn werk bij de zieken in verbondenheid met God te doen.

En dan zijn er nog de specifieke evangelisatieactiviteiten van de gemeenschap’ Maria-Kefas’. Zo organiseren we sedert een paar jaar Alpha-cursussen met als bedoeling hedendaagse mensen weer de kernpunten van het christelijk geloof te leren kennen. Het gaf mij telkens héél veel vreugde, en voldoening om daaraan mee te werken.

8 Als besluit  
Ik weet dat mijn leven als ongehuwde, zonder God heel leeg zou zijn.  Met andere woorden, God heeft een voorname plaats in mijn leven. Dank zij  die verbondenheid met Hem, kan ik veel aan.  Psalm 18 zegt het zo en vertaalt goed wat ik wil zeggen:
‘Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.  
’Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind, mijn schild, mijn behoud en bescherming.’  
In zijn moderne vertaling is deze psalm een mooi gebed, ook voor alleenstaanden. Natuurlijk moet iedereen de gebeden vinden, waar hij of zij zich het meest door gedragen en aangesproken voelt.
Soms bid ik voor die alleenstaande mensen, die heel eenzaam zijn, en hun heil soms zoeken in gevaarlijke verslavingen (drank, drugs).  Ik bid dat ze ook God in hun leven een plaats zouden kunnen geven, Hem ontdekken.  En ook de verbondenheid mogen leren kennen, van tot een christelijke gemeenschap te behoren.

In het eerste nummer ’Geloof en Leven’ van 2002, trof mij het ‘Gebed van de  vrijwilliger’, geschreven door de Belgische bisschoppen.  Ik zou het ook het gebed van de ongehuwde - aan de Heer toegewijd én in de wereld werkzaam - willen noemen.  Misschien zelfs het gebed voor elke alleenstaande.
Meer nog dan mensen met een gezin, moeten wij misschien wel uit ons zelf kunnen treden en naar anderen toegaan. Dienstbaar zijn en soms meer geven dan we terugkrijgen.  Maar hierbij mogen we altijd weten en nooit vergeten, dat we Godverbonden kunnen leven. Hij is het die ons draagt en nooit loslaat, ons gratis en onverdiend liefheeft, en onze unieke levensweg meegaat.

  

EINDE ARTIKEL

EINDE VAN DIT NUMMER  2002_2   

   TERUG NAAR INHOUD      NAAR TOP VAN DIT NUMMER